Het water in zwembaden is helder; dat van open water in Nederland is troebel.
Gevolg is dat je slechts zelden verder kan kijken dan een halve meter. Je zult dus op koers moeten blijven op een andere manier dan naar de rechte lijn op de bodem te kijken. De oplossing licht in het optillen van het hoofd zodat je met je ogen/bril net uit het water komt. Dit kan zo om de 6 tot 12 slagen. Dat het water troebel is betekent niet dat het water vuil is; immers het water MOET voor de wedstrijd gekeurd worden door een erkend laboratorium.
Het water in zwembaden is rustig; dat van open water kan golven hebben.
Met golven kun je leren omgaan door te oefenen. Bij golven kun je de armslag verkorten zodat het slagritme aangepast wordt. Het spelen met de elementen – in dit geval de golfslag - is interessant. Het geeft een goed gevoel om na een zware tocht het finish bord aan te raken.
In zwembaden staat geen wind; in open water heb je daar last van.
Buiten zwemmend kun je inderdaad tegenwind hebben. Door goed je koers te kiezen kun je de "schade" beperkt houden. Zwemmers hebben geleerd dat vlak onder de kant de tegenwind het minste last geeft en in het midden van de baan heb je het meeste profijt van wind mee. Met een goede tactiek heb je er zelfs winst mee.
In zwembaden is het water op constante temperatuur: in open water wisselt het.
In zwembaden is het zelf vaak zo dat de wedstrijden eigenlijk niet door kunnen gaan omdat het te warm is. De KNZB heeft recent nog haar reglementen voor de maximale temperatuur de grens verhoogd. Dat de temperatuur in open water veranderlijk is maakt het spel ook boeiend. De zwembond heeft overigens ook de ondertemperatuur ook gereglementeerd: 16 graden moet nog kunnen voor langer dan 1 km (1 km of minder kan met 15 graden nog doorgaan). De Wereldzwembond (FINA) vindt overigens 14 graden al warm genoeg om de wedstrijden niet af te gelasten.
In zwembaden staat geen stroming; in open water kan dat wel.
Soms kun je gebruik maken van stromingen in het water. Deze zijn minimaal te noemen en hebben geen invloed op de wedstrijden. Een belangrijke uitzondering: Beusichem - Culemborg. Hier staat soms een enorme stroming, waardoor de zwemmer tot bijna twee keer zo hard zwemt. Door slim te koersen kun je meer gebruik maken van de stroming dan anderen.
In zwembaden raak je nooit onderkoeld en in open water kan dat wel.
Je kunt er uiteraard wel wat aan doen om het niet te koud te hebben. Je kunt je insmeren met vaseline, lanoline of met uierzalf.
Je hebt in zwembaden steeds iedere 25 of 50 meter een keerpunt.
In open water kan het zijn dat je helemaal niet keert. Dat is mooi, want dan raak je ook niet uit je ritme. Nadeel is wel dat je niet afzet en snelheid kan maken.
In zwembaden heb je een eigen baan; in open water zwemt iedereen door elkaar.
Bij open water zwemmen start iedereen achter dezelfde denkbeeldige lijn. De starter geeft dan aan wanneer iedereen achter die lijn ligt en dat je kunt vertrekken. In de eerste startlijn kan de start wat chaotisch zijn. Als je daar geen trek in hebt kun je ook op de tweede lijn of opzij gaan liggen.
Een belangrijk voordeel is het achter je voorgangers stayeren. Dit kun je in de training oefenen door vlak achter iemand in de slipstream te gaan liggen. Bij de schoolslagonderdelen is dit tot een ware kunstvorm ontwikkeld: dicht op elkaar zwemmen en in de eindsprint er langs gaan.
In een zwembadwedstrijd merk je meer van de competitie en buiten lijkt het allemaal gemoedelijker.
Dat er in open water ook competitie is mag duidelijk zijn! Je hebt naast je concurrenten om de bekers ook nog de elementen die je moet overwinnen. De sfeer voor en na afloop van je race is prettig doordat iedereen dezelfde weersinvloeden hebben moeten overwinnen, soms met elkaars hulp (om de beurt op kop) soms in je eentje. Dit schept een band met je mede/tegen strijders.