Diploma-eisen basispakketten

De basispakketten bestaan uit de basisonderdelen van het zwemmen: schoolslag, borstcrawl, rugcrawl, vlinderslag, samengestelde rugslag, onder water zwemmen, wrikken, waterpolocrawl, drenkeling vervoeren etc.

Net als bij het Zwem-ABC is er ook een onderdeel 'gekleed zwemmen'. De kledingeisen zijn: badkleding - T-shirt, blouse of hemd met lange mouwen - lange broek (lange broeken die naadloos aansluiten op de huid zijn niet toegestaan) - schoenen (plastic, leren en sportschoenen zijn toegestaan; schoenen zonder echte zool zijn niet toegestaan).

De Nationale Raad heeft net als bij de keuzepakketten drie diploma's ontwikkeld, oplopend in moeilijkheidsgraad. Neptunus '58 heeft zelf ook nog een zwemvaardigheid 4, 5 en 6 ontwikkeld.

Zwemvaardigheid 1 - Zwemvaardigheid 2 - Zwemvaardigheid 3 - Zwemvaardigheid 4 - Zwemvaardigheid 5 - Zwemvaardigheid 6

Zwemvaardigheid 1
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met sprong naar keuze (helemaal onder water gaan); na het boven komen aansluitend al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 30 seconden blijven drijven (benen passief), aansluitend proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, na het bovenkomen aansluitend 50 meter enkelvoudige rugslag, 2 keer onderbroken door een koprol achterover, 50 meter schoolslag, 2 keer onderbroken door onder een vlot in de lengte (minimaal 1,5 meter) door zwemmen vervolgens er op klimmen en aan de tegenoverliggende kant er af gaan en wederom onder het vlot door zwemmen. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, deelnemer B trekt deelnemer A vanaf de kant met behulp van een flexibeam of lesplankje naar de kant.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 150 meter schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten met beide voeten, in borstligging).
5. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 25 meter samengestelde rugslag.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 25 meter borstcrawl.
7. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 25 meter rugcrawl.
8. Starten in het water door afzet van de kant, gevolgd door 8 meter vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag).
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok, met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna het aantikken van drie pionnen, die op een onderlinge afstand van 2 meter minimaal 2 meter onder het wateroppervlak zijn opgesteld.
10. In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, proef afronden met een gehurkte draai (360 graden).
11. In het water, tweetallen, 4 x de bal werpen (vangen hoeft niet, afstand is minimaal 2 meter).
12. Starten in het water, 10 meter polocrawl zwemmen.
13. 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen.


Zwemvaardigheid 2
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan); na het boven komen aansluitend al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 1 minuut blijven drijven, aansluitend proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, waarna (zonder boven te komen) een pion op 12 meter (van de startkant) wordt aangetikt, na het bovenkomen aansluitend 50 meter enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door achtereenvolgens 2 keer voorover en 2 keer achterover rollen, 50 meter schoolslag, waarbij 1 keer het volgende onderdeel wordt uitgevoerd met tweetallen: deelnemer A en B zwemmen naar elkaar toe, deelnemer A legt de handen op de schouders van deelnemer B en duwt deze even onder water terwijl hij/zij er overheen zwemt. Deelnemer B zwemt onder deelnemer A door. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, deelnemer B springt vanaf de kant met een hurksprong te water met een flexibeam of lesplankje in de hand, pakt vervolgens de kant vast, strekt de flexibeam of lesplankje uit naar deelnemer A en trekt deelnemer A naar de kant.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 175 meter schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegel met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag) onder water).
5. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter samengestelde rugslag.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 50 meter borstcrawl (aantikken, keren en verder gaan).
7. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 50 meter rugcrawl (aantikken, keren en afzetten op de rug).
8. Starten in het water door afzet van de kant, gevolgd door 10 meter vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag).
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok, met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water door 2 staande hoepels zwemmen die op een onderlinge afstand van 2 meter minimaal 1,5 meter onder het wateroppervlak zijn opgesteld.
10. In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van de voeten , proef afronden met een gehurkte draai (360?) rechtsom, uitstrekken en aansluitend een draai (360°) linksom.
11. In het water, tweetallen, 4 x de bal werpen (vangen hoeft niet, afstand is minimaal 4 meter).
12. Starten in het water, 10 meter zwemmen met de bal met de polocrawl.
13. 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen, op signaal 3 keer omhoog komen.


Zwemvaardigheid 3
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan); na het boven komen aansluitend al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 30 seconden blijven drijven, daarna onder water gaan, de plastic zak legen, weer boven komen en opnieuw met lucht vullen en 30 seconden drijven. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, waarna (zonder boven te komen) een pilon op 15 meter wordt aangetikt, na het bovenkomen aansluitend 50 meter enkelvoudige rugslag, 50 meter schoolslag, onderbroken door een hoekduik, onder water door een poortje heen, een halve draai om de lengte-as maken naar rugligging en zo boven komen. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, minimaal 10 meter vanaf de kant. Deelnemer B springt met een hurksprong vanaf de kant te water met een flexibeam of lesplankje in de hand, strekt de flexibeam of lesplankje uit naar deelnemer A en trekt deelnemer A 10 meter in rugligging naar de kant.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 200 meter schoolslag, waarbij minimaal 3 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegel met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag) onder water).
5. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 75 meter samengestelde rugslag.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 75 meter borstcrawl, waarbij minimaal 1 tuimelkeerpunt wordt gemaakt (voorover tuimelen en afzetten in borst- of in zijligging).
7. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 75 meter rugcrawl, waarbij minimaal 1 keerpunt wordt gemaakt (op borst draaien, voorover tuimelen en (onder water) afzetten in rugligging).
8. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 15 meter vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag).
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok, met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water een hoepel van de bodem optillen (deze bevindt zich horizontaal op de bodem, minimaal 2 meter diep), er doorheen gaan (uitvoering vrij) en vervolgens weer boven komen.
10. In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, aansluitend een gehurkte draai (koprol) achterover.
11. Starten in het water, 10 meter zwemmen met de bal met de polocrawl, met z'n tweeën naast elkaar, de bal twee keer naar elkaar overspelen.
12. 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen, waarbij de bal minimaal 3 keer wordt overgegeven van de ene naar de andere hand, ruim boven het wateroppervlak.


Zwemvaardigheid 4 (ontwikkeld door Neptunus '58)
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan); direct gevolgd door het maken van drie koprollen (één voorover, één achterover en één voorover). Na de koprollen zwemmen we onderwater naar een met een pion gemarkeerd punt op 8 m welke we aantikken. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door gaten die zich in twee verticaal hangende zeilen op 8 en 15 meter van de (start-)kant bevinden, gevolgd door (zonder boven te komen) het aantikken van een pion op 24 meter. Daarna 50 meter enkelvoudige rugslag met polsen boven water, onderweg maken we in het midden een koprol achterover (2*), 50 meter schoolslag, onderbroken door een hoekduik, onder water door twee poortjes heen, tussen de poortjes maken we een hele draai om de lengteas. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, minimaal 8 meter vanaf de kant. Deelnemer B werpt een reddingsklos over de deelnemer A, deze pakt de lijn vast waarna B, A naar de kant trekt en vertelt daarna hoe de drenkeling m.b.v. de handreiking op de kant gebracht kan worden.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 100 meter schoolslag, waarbij alle keerpunten correct uitgevoerd worden (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegel met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag) onder water). De maximale tijd is 1 min 55 seconden.
5. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter samengestelde rugslag. Vervolgens starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter zwemmen met de Northern Kick.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter borstcrawl, waarbij alle keerpunten tuimelkeerpunten zijn. De maximale tijd is 1 min 45 seconden.
7. Oester: De beginsituatie is de gestrekte ligging op de rug, met de armen langs het hoofd; de handen liggen daarbij iets verder dan schouderbreedte uiteen. Door een snelle hoekbeweging worden de armen en benen boven water gestrekt naar elkaar toegebracht; de handen komen op de wreef. In deze houding verdwijnt het lichaam onder water.
8. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 100 meter rugcrawl, waarbij alle keerpunten wordt gemaakt door het op de borst draaien, voorover tuimelen en (onder water) afzetten in rugligging. De maximale tijd is 2 min 5 seconden.
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 50 meter vlinderslag met de dolfijnslag.
10. Van startblok:
10.1 De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand.
10.2 De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand, met een halve draai om de lengteas (halve schroef).
10.3 De rechtstandige sprong voorwaarts, uit stand, waarbij op het hoogste punt van de vlucht van de sprong de hurkhouding aangenomen wordt, daarna doorklieft men het water gestrekt.
11. Starten in het water, 15 meter zwemmen met de bal met de polocrawl, met z'n tweeën naast elkaar, voor deelnemer A de bal naar elkaar overspelen 1A, 2B en 3A direct (binnen 3 sec) een draai om de lengte as gevolgd door een schot van A op goal (8 meter), dit herhalen voor B.
12. Te water gaan van een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter wisselslag.


Zwemvaardigheid 5 (ontwikkeld door Neptunus '58)
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan); direct gevolgd door het maken van vier koprollen twee voor- en twee achterover na de koprollen zwemmen we onderwater naar een met een pion gemarkeerd punt op 10 m welke we aantikken. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water oriënteren en onder water zwemmen door gaten die zich in twee vertikaal hangende zeilen op 8 en 15 meter van de (start-)kant bevinden, gevolgd door (zonder boven te komen) het maken van een hele draai om de lengte as, na het bovenkomen schoolslag tot einde van de baan, daarna 75 meter enkelvoudige rugslag met polsen boven water, onderweg maken we in het midden van elke baan twee koprollen één voor één achterover, 50 meter schoolslag, onderbroken door een hoekduik, onder water door twee poortjes heen, tussen de poortjes blijven we 5 seconden stil liggen. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, minimaal 10 meter vanaf de kant. Deelnemer B werpt een reddingsklos over de deelnemer A, deze pakt de lijn vast waarna B, A naar de kant trekt. A wordt nu m.b.v. de handreiking op de kant getild.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 100 meter schoolslag, waarbij alle keerpunten correct uitgevoerd worden(met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegel met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag) onder water). De maximale tijd is 1 min 50 seconden.
5.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter samengestelde rugslag. Vervolgens starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter zwemmen met de Trudgeon.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter borstcrawl, waarbij alle keerpunten tuimelkeerpunten zijn. De maximale tijd is 1 min 40 seconden.
7. Kiep: De beginsituatie is de gestrekte ligging op de rug, met de armen langs het lichaam. De benen worden tegelijkertijd ingetrokken. De handen zijn naast en/of iets onder de heupen. De armen maken nu gelijktijdig stuwbewegingen benedenwaarts, waardoor de voeten omhoog kopen en de draai zover wordt uitgevoerd dat het lichaam verticaal(gehurkt) in het water staat. Daarna wordt het lichaam gestrekt en zakt rechtstandig geheel onderwater.
8. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 100 meter rugcrawl, waarbij alle keerpunten wordt gemaakt door het op de borst draaien, voorover tuimelen en (onder water) afzetten in rugligging. De maximale tijd is 2 minuten.
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 75 meter vlinderslag met de dolfijnslag.
10. Van startblok:
10.1. De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand.
10.2. De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand, met een hele draai om de lengteas (schroef).
10.3. De rechtstandige sprong voorwaarts, uit stand, waarbij op het hoogste punt van de vlucht van de sprong de spreidsprong aangenomen wordt, daarna doorklieft men het water gestrekt.
11. Starten in het water, daarna circa 15 meter met z'n tweeën, met een onderlinge afstand van 2-4 meter, naast elkaar zwemmen. Deelnemer A in borstligging en B in rugligging. Bij het zwemmen spelen we minimaal 2 keer zodanig over dat we de bal gevangen wordt. Op 8 meter voor de goal speelt A de bal naar B, B direct terug naar A en deze geeft binnen 2 s een schot op goal (8 meter), dit herhalen voor B.
12. Te water gaan van een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter wisselslag.


Zwemvaardigheid 6 (ontwikkeld door Neptunus '58)
Gekleed zwemmen
1. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan); direct gevolgd door het maken van vier koprollen (twee voor- en twee achterover). Na de koprollen zwemmen we onderwater naar met door pionnen gemarkeerd punten op 9 en 12 meter welke we aantikken. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
2. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong direct gevolgd door (zonder boven te komen), onder water oriënteren en onder water zwemmen door gaten die zich in twee verticaal hangende zeilen op 8 en 15 meter van de (start-)kant bevinden, gevolgd door (zonder boven te komen) het maken van een hele draai om de lengte as. We komen boven in het gat van een horizontaal hangend zeil op 18 meter. Na het bovenkomen aansluitend 50 meter enkelvoudige rugslag met polsen boven water. Onderweg maken we in het midden van elke baan twee koprollen: één voor- en één achterover, 50 meter schoolslag, onderbroken door een hoekduik, onder water door twee poortjes heen, tussen de poortjes 10 seconden stil blijven liggen. Proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
3. Tweetallen. Deelnemer A ligt watertrappend in het water, minimaal 10 meter vanaf de kant. Deelnemer B werpt een reddingsklos over de deelnemer A. Deze pakt de lijn vast, waarna deelnemer B deelnemer A naar de kant trekt. B vertelt hoe de drenkeling met behulp van de handreiking op de kant gebracht kan worden.

In badkleding
4. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 100 meter schoolslag, waarbij alle keerpunten correct uitgevoerd worden (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegel met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag) onder water). De maximale tijd is 1 minuut en 50 seconden.
5. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter samengestelde rugslag. Vervolgens starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter zwemmen met de Trudgeon crawl.
6. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter borstcrawl, waarbij alle keerpunten tuimelkeerpunten zijn. De maximale tijd is 1 minuut en 30 seconden.
7. Flamingo: 5 meter wrikken richting hoofd, tubhouding, flamingohouding, tubhouding, uitstrekken, 5 meter terug wrikken richting voeten.
8. Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), met wedstrijdstart, gevolgd door 100 meter rugcrawl, waarbij alle keerpunten worden gemaakt door het op de borst draaien, voorover tuimelen en (onder water) afzetten in rugligging. De maximale tijd is 1 minuut en 38 seconden.
9. Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 50 meter vlinderslag met de dolfijnslag. De maximale tijd is 44 seconden.
10. Van startblok:
10.1. De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand, met een hele draai om de lengteas (schroef).
10.2. De rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, uit stand, met een halve draai gecombineerd met het aannemen van de hurkhouding op het hoogste punt van de vlucht. Daarna doorklieft men het water gestrekt.
10.3. De rechtstandige sprong voorwaarts, uit stand, waarbij op het hoogste punt van de vlucht van de sprong spreidhouding aangenomen wordt. Daarna doorklieft men het water gestrekt.
11. Starten in het water, 15 meter zwemmen met de bal met de polocrawl, met tweeën naast elkaar, met een onderlinge afstand van 4 tot 6 meter. Deelnemer A in borstligging en B in rugligging. Tijdens het zwemmen de bal minimaal 2 keer zodanig overspelen dat deze gevangen wordt. Op 8 meter voor de goal speelt A de bal naar B, B direct terug naar A (die inmiddels met de rug naar de goal gedraaid is). Deze geeft binnen 2 seconden een schot op goal (8 meter). Dit herhalen voor B.
12. Te water gaan van een startblok met een startsprong, gevolgd door 100 meter wisselslag.

Terug naar 'diploma-eisen zwemvaardigheidszwemmen'